104x  Spoelhoren Acteon Tornatilis 

Peter Sjerp

Laatste update: 11-12-2018


In de literatuur wordt de soort Acteon Tornatilis (Spoelhoren) als zeldzaam op het Nederlandse Noordzeestrand vermeld (1). Of dit voor het gehele Nederlandse kustgebied geldt is echter mogelijk aan revisie toe. Sinds eind 2012 bezoek ik regelmatig het strand bij ’s-Gravenzande om schelpen te zoeken. Een van de grote verrassingen van het “gebied” tussen de pier van Hoek van Holland en de Zandmotor in het noorden bij Monster is het regelmatige voorkomen van de Spoelhoren. In bijna 6 jaar tijd hebben mijn zoektochten nu 104 exemplaren opgeleverd.

Spoelhoren1

 A.tornatilis afkomstig van het strand tussen Hoek van Holland en Monster

De vondsten zijn door de jaren heen redelijk consistent gebleven en met name in 2018 ronduit goed te noemen. Het regelmatige voorkomen van wind uit noordelijke tot oostelijke richtingen dit jaar heeft hier zeker ook aan meegeholpen.

Bij het zoeken naar informatie online kwam ik een ouder artikel uit 2009 tegen van de heer Hans Post, afdelingscoördinator mollusken, Natuurhistorisch Museum Rotterdam tegen, waarin melding wordt gemaakt van de vondst van een groot aantal Spoelhorens in 1 keer (23 stuks) (2). De observatie van Dhr. Post naar aanleiding van een enquête onder collectiebeheerders dat “in 30 jaar tijd maximaal twee exemplaren per persoon van het Hollandse strand werden opgeraapt” staat in schril contrast tot mijn eigen observaties, en meldingen op zowel waarneming.nl alsmede op strandvondsten.nl. Of daadwerkelijk de soort in die tijd zeldzamer voorkwam, of dat er in het verleden minder op de soort is gelet is onmogelijk om uitsluitsel over te geven. Wel is duidelijk dat door de kleinere maat van de schelp deze niet direct in het oog springend is, en zal dan ook niet snel door badgasten worden opgemerkt (en vondsten worden gemeld). Op het strand kom ik slechts bij hoge uitzondering andere verzamelaars tegen, en hoewel de soort bij gunstige weersomstandigheden regelmatig in gruis aan te treffen is, is deze ook weer niet als “algemeen” te omschrijven. Het geduldig nakijken van een groot aantal beloftevolle gruisbanken blijft noodzakelijk om de soort aan te treffen.

Van de gevonden schelpen is de overgrote meerderheid afkomstig uit licht horentjesgruis afgezet aan de laagwaterlijn. 3 exemplaren heb ik rechtstreeks bij laag water uit de branding gevist. Slechts 2 stuks zijn gevonden in de vloedlijn, zeer waarschijnlijk “restanten” van een eerdere gruisbank die door de vloed zijn meegenomen. 1 exemplaar is in het midden van een gemengde gruisbank aangetroffen. De gruisbanken worden vaak gelaagd afgezet. Aan de uiterste onderrand van de gruisbank (zeer fijn en licht gruis) bevinden zich vaak kleine tot middelgrote exemplaren, de laag net erboven kan zo nu en dan een groter exemplaar opleveren. De soort is regelmatig samen met soorten als de gewone Wenteltrap en de Trapgevel te vinden. Deze soorten zijn goede “gidssoorten” bij het beoordelen van een gruisbank. Deze gruisbanken bestaan aan de Hollandse kust voornamelijk uit grote aantallen Tepelhorens en Fuikhorens. Met name in gruisbanken na een matige zuidoostenwind is de kans het grootst een of soms enkele exemplaren aan te treffen. In zeldzame gevallen spoelen grotere aantallen tegelijkertijd aan (15 stuks uit 1 grote gruisbank in 2018). De condities waren die dag erg gunstig, een stevige zuidoostenwind had een aantal goede gruisbanken met veel horens naar het strand gebracht. Naast spoelhorens waren ook andere horens zoals de fuikhoren massaal aangespoeld, waardoor de aantallen wel met elkaar in verhouding stonden.

Alle exemplaren die tussen Hoek van Holland en Monster aangetroffen zijn, zijn (zeer) dunschalig. Dit in tegenstelling tot een vers exemplaar van A. Tornatilis afkomstig van het strand van Domburg, die een stuk dikschaliger is. Dit lijkt meer een uitzondering te zijn voor deze soort.

Wel is bijzonder dat onder de aangespoelde exemplaren min of meer recente exemplaren zitten, hetgeen doet vermoeden dat er een populatie voor de kust leeft. Meldingen van verse exemplaren bij verschillende publicaties elders in Zuid- en Noord-Holland versterkt dit beel alleen maar.

Het valt op dat schelpen in en de directe omgeving van Hoek van Holland in de regel steeds minder “vers” worden naarmate men aan de noordgrens komt. Het ligt dan ook voor de hand dat de populatie zich geconcentreerd heeft direct voor de kust van Hoek van Holland. Schelpen die wat noordelijker aanspoelen hebben op het oog langer na hun dood in zee doorgebracht en zijn ingevolge ook meer afgesleten/verkleurd. Sowieso zijn slechts een paar schelpen “echt”  vers qua uiterlijk. Op 2 juveniele exemplaren na ontbreekt bij alle gevonden exemplaren de glans die zeer verse schelpen kenmerkt, als gevolg van de schurende werking van het zand. De populatie voor de kust van Zuid-Holland komt wat dieper in zee voor, hetgeen zich ook uit in het ontbreken van levende exemplaren op het strand. In zuidelijker gebieden (Frankrijk, Verenigd Koninkrijk) komt deze soort tot dicht onder de kust voor en kan bij laag water levend worden geobserveerd.

Ook zou door de aanleg van menselijk structuren de zeestromen zodanig veranderd kunnen zijn dat er een meer naar het strand gerichte onderstroom is ontstaan. Indien in het verleden goed gezocht is naar deze soort, dan komt de schelp nu vaker voor in gruis ten opzichte van meldingen uit het verleden. Of deze toename structureel is zal de toekomst uit moeten wijzen.

Het grote aantal vondsten geeft wel de mogelijkheid om patronen te observeren in de aangespoelde schelpen. Van het totaal van 104 stuks is +/-35 % “recent”, waarbij ik onder “recent” alle exemplaren en fragmenten schaar die in redelijke mate hun oorspronkelijke kleur en kleurbanden nog hebben.

Veel van het strandmateriaal is afkomstig uit oudere bodemlagen, waarbij verscheidene exemplaren volledige egaal zwart of blauwgrijs zijn verkleurd (18% van het totaal). De overige 47% is te verkleurd om nog onder de noemer recent te vallen, maar is ook niet overduidelijk fossiel. Wat wel opvallend is dat zelfs bij de oudere verkleurde exemplaren de oorspronkelijke kleurbanden nog heel licht zichtbaar zijn. Fossiele schelpen van Pleistocene (Eemien) herkomst zijn vaak al zodanig sterk verkleurd/van structuur veranderd, dat geen enkel spoor meer zichtbaar is van de oorspronkelijke kleurpatronen. Dit geeft sterk de indruk dat zelfs een groot deel van de “oudere” exemplaren uit relatief jonge bodemlagen afkomstig zijn.

Een groot percentage van de gevonden schelpen zijn in meer of mindere mate beschadigd (73%). De 28 gave schelpen variëren in lengte tussen de 6 mm en de 18 mm, waarbij het gemiddelde rond de 12,8mm ligt.

De meest voorkomende beschadiging is het ontbreken van de top. Hierbij gaat het om 54% van alle beschadigingen. Of de top het meest kwetsbare deel van de schelp is, of dat andere factoren een rol spelen is lastig in te schatten. Wel is duidelijk dat door de langwerpige vorm van de schelp deze over de lengte met de golfslag mee rolt, en de uitstekende top en onderkant daardoor het meest kwetsbaar zijn. De aanwezigheid van strekdammen (en daarmee veel losse stenen en kiezels) in het gebied helpt in deze zeker niet mee. In ieder geval behoren verse, gave schelpen in het monster tot de absolute minderheid. Dit maakt de vondst van de heer Post des te interessanter, daar een veel groter percentage (>50%) van de door hem aangetroffen schelpen min of meer gaaf is. De schelpen zijn van Hoek van Holland zelf afkomstig, wat een verklaring voor het betere resultaat kan zijn. Op basis van het eigen monster is wel duidelijk dat over een langere periode de reële kans op gave schelpen lager ligt dan 50%. Gave en (min of meer) verse schelpen maken slechts zo’n 10% van het totaal uit, en zijn en blijven bijzondere vondsten.


Literatuur


(1) Bruyne, R.H. de, 2004. Veldgids Schelpen. Uitgeverij K.N.N.V., p. 132.

(2) http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document;docid=538283

© 2018 P.M.J. Sjerp - all RIGHTS RESERVED.