Geologische tijdperken

Peter Sjerp

Laatste update: 09-12-2018


Plioceen 5,33 mln - 2,59 mln v.C.

Het Plioceen is een tijdvak tussen het oudere Mioceen en het recentere Pleistoceen, en duurde van 5,33 miljoen tot 2,59 miljoen jaar geleden. Het Plioceen zelf wordt weer ingedeeld in 2 aparte periodes, het Zanclien en het Piacenzien. Tijdens het vroeg Plioceen lag de gemiddelde temperatuur wereldwijd hoger dan nu, met als gevolg dat Nederland grotendeels bedekt was door de Noordzee. Enkel het zuidoosten van Nederland lag boven de zeespiegel. De warmere temperaturen werden veroorzaakt door een permanent El Nino effect dat zich in het vroeg Plioceen manifesteerde. Dit resulteerde in warme zeestromen en een broeikaseffect door hogere verdampingsgraad van zeewater. Veranderingen in zeestromen, die kouder water aanvoerden halverwege het Plioceen zorgden ervoor dat het El Nino effect geleidelijk verdween, en de temperatuur zou gedurende het Plioceen langzaam gaan dalen. De daling had zich echter al tijdens het Mioceen ingezet door geleidelijke klimaatsveranderingen, en zette door het verdwijnen van het El Nino effect door. Aan het einde van het Plioceen was de gemiddelde jaartemperatuur gedaald van 15 graden naar 12 graden Celsius (de huidige jaartemperatuur is 10 graden). Door de afkoeling van de aarde gedurende het Plioceen begonnen op het Noordelijk halfrond gletsjers op te rukken. De overgang van het Plioceen naar het Pleistoceen leidde ook de eerste ijstijden in. Doordat koele lucht minder vocht kan vasthouden, werd het klimaat behalve koeler ook droger. Daarnaast begonnen seizoenen hun intrede te doen. Direct gevolg van de klimaatveranderingen die zich tijdens het Plioceen voordeden was het verdwijnen van bossen en het oprukken van graslanden en savanna’s. Dit had grote effecten op de plaatselijke fauna, en gaf een evolutionaire druk die uiteindelijk leidde tot het ontstaan en de evolutie van de eerste mensachtigen.

De Noordzee van het warme deel van het Plioceen herbergde een grotere verscheidenheid aan weekdieren en ander zeeleven zoals reuzenhaaien dan tegenwoordig, en veel van deze soorten zijn voorgoed van de aardbodem verdwenen. Anderen zijn geëvolueerd in soorten die we tegenwoordig in de Noordzee vinden. De soorten die de overgang van een warm naar een koud klimaat wel hebben overleefd, komen tegenwoordig in vaak in kleinere aantallen voor. Een goed voorbeeld is de Wijde mantel Aequipecten opercularis, die in het Plioceen massaal in Nederland voorkwam. Deze soort bereikt op het ogenblik nergens in zijn volledige verspreidingsgebied de dichtheden die in bodemlagen van het Plioceen zijn aangetroffen.

 

Pleistoceen 2,59 mln - 11.700 v.C.

Het Pleistoceen duurde van ongeveer 2,59 miljoen jaar tot +/- 11700 jaar geleden, waarna het overging in het huidige tijdvak, het Holoceen. Het Pleistoceen wordt gekenmerkt door herhaaldelijke ijstijden, afgewisseld met min of meer warmere periodes. Een van deze warmere periodes is het Eemien, dat zo’n 126.000 jaar geleden inzette, en 116.000 jaar gelden ten einde kwam. Gedurende deze periode kwam Nederland weer gedeeltelijk onder water te staan (nadaat de Noordzee in een toendra was verandert gedurende de voorgaande IJstijd). Het gedeelte van Nederland dat onder water kwam te staan was echter kleiner dan tijdens het Plioceen en omvatte enkel de huidige kustprovincies. Schelphoudende bodemlagen van de “Eemzee” worden vooral bij de Noordelijke Waddeneilanden en in Zeeland aangesneden, wat een regelmatige aanvoer van fossiele schelpen op die stranden garandeert. De soorten die in die periode aanspoelen zijn vrijwel allen heden ten dage in de Noordzee of aangrenzende warmere streken te vinden. Slechts een paar ondersoorten zijn daadwerkelijk uitgestorven. Het warmere klimaat zorgde wel voor een toename van het aantal aanwezige schelpensoorten. Deze soorten verdwenen weer volledig uit de Noordzee aan het einde van de warme periode van het Pleistoceen, of komen nu slechts incidenteel voor. Er is een duidelijk verband tussen de watertemperatuur en de soortenrijkdom in zee. Ook heeft het een groet invloed op de schelpen van soorten die het koudere water wel kunnen verdragen. De schelpen zijn vaak dikschaliger, groffer en minder kleurrijk dan die van exemplaren van dezelfde soort die in warmere gebieden leven. Fossiele schelpen van dezelfde soort kunnen daardoor afwijken van recente exemplaren op hetzelfde strand. Een goed voorbeeld is de Penhoren Turritella communis, waarbij recente exemplaren uit de Noordzee die aanspoelen op de Waddeneilanden duidelijk driehoekiger en groffer zijn. Recente exemplaren uit Frankrijk en Portugal zijn spitser en lichter gekleurd (soms zelfs tot wit, een kleurvariant die aan de Nederlandse kust niet voorkomt). Tijdens de koudere periodes van het Pleistoceen werden de soorten die zich konden handhaven nog dikschaliger. Op het strand (van de Waddeneilanden) spoelen regelmatig kleppen aan van Halfgenotte strandschelp Spisula subtruncata uit deze periodes, die veel dikschaliger zijn dan recente exemplaren.


Holoceen 11.700 v.C. - nu

Aan het eide van het Pleistoceen waren grote stukken van de Noordzee droog land. De  temperatuur begon wereldwijd echter weer te stijgen na de  voorgaande IJstijden, hetgeen tot gevolg had dat het landijs begon te smelten en de Noordzee weer vol begon te lopen. Het gevolg was dat stukken land zoals Doggersland, waar al menselijke bewoning was,  volledig onder water kwamen te liggen rond 5000 v.C. (de huidige Doggersbank). In vissersboten treft men soms restanten uit die tijd aan.  Het Holoceen staat dan ook bekend als een interglaciaal (warmere periode). Delen van west-Nederland kwamen zelfs onder water te staan.

Het huidige Nederlandse Noordzeegebied valt tegenwoordig op door de relatieve schaarste aan soorten. Slechts weinig schelpensoorten komen echt algemeen aan de kust voor. Door het nog relatief koude water, en het gebrek aan natuurlijke rotskusten, komen veel soorten slechts incidenteel aan de Nederlandse kust voor. Er zijn in deze periode ook genoeg voorbeelde bekend van soorten die een explosieve groei hebben laten zien, na express of per ongeluk te zijn geïntroduceerd. Bekende voorbeelden zijn de Amerikaanse zwaardschede, de Japanse oester en de Amerikaanse boormossel. Deze soorten hebben alle drie een negatieve uitwerking gehad in hun nieuwe leefomgeving op autochtone soorten. De Grote zwaartschede, Gewone oester en de Witte boormossel zijn gedeeltelijk verdrongen en zeldzamer geworden. Door de mens veroorzaakte vervuiling, met name de aangroeiwerende verf TBT (Tributyltin) veroorzaakte een ongewoon effect onder bepaalde soorten huisjesslakken, het imposex-syndroom, waarbij vrouwelijke slakken mannelijke geslachtsorganen gaan ontwikkelen en dus onvruchtbaar worden. De stof is sinds 2003 verboden, echter het gevolg is geweest dat bepaalde soorten zoals de Wulk en de Purperslak sterk in aantal achteruit zijn gegaan. De Wulk was vroeger algemeen in het Waddengebied, echter recente exemplaren zijn daar nu erg zeldzaam. De Purperslak lijkt zich weer wat te herstellen, getuige ook de vondst van een vers exemplaar op Vlieland in 2014. Recente exotische kweeksoorten, die zich aan de hier heersende omstandigheden hebben kunnen aanpassen en in het wild populaties aan het vestigen zijn, zullen zich mogelijk in de nabije toekomst over grotere delen van de kust verspreiden. Een voorbeeld is de Filipijnse tapijtschelp, die nu in Zeeland op verschillende plaatsen in het wild voorkomt. En andere mogelijke nieuwkomer is de Geaderde stekelhoren Rapana venosa, een roofslak die potentieel grote schade kan aanrichten onder autochtone tweekleppige schelpensoorten. Sinds in 2005 het eerste levende exemplaar werd ontdekt in de vangst van een kotter bij Scheveningen zijn er verschillende levende exemplaren van deze soort opgevist uit de Noordzee. Lege schelpen zijn gevonden op het strand bij Zandvoort en IJmuiden.

 Met de recente temperatuurstijging is het niet onwaarschijnlijk dat bepaalde zuidelijke soorten zich weer gaan vestigen in de Noordzee. Tegelijkertijd zullen koudwatersoorten zich naar het noorden terugtrekken en zeldzamer worden voor de Nederlandse kust. De aanleg van kunstmatige rotskusten in de vorm van strekdammen leidt/kan lokaal leiden tot het vestigen van (kleine) populaties van typische rotsbewoners zoals bijvoorbeeld de Schaalhoren Patella vulgata. In Zeeland is deze soort lokaal niet zeldzaam op hard substraat.

© 2018 P.M.J. Sjerp - all RIGHTS RESERVED.