Info

Vlieland1

Alle vermelde vondsten zijn vrijwel allemaal gevonden tussen paal 48 en paal 51 (op enkele vondsten van de Vliehors en de noordoostpunt na) tussen 1993 en nu. Doordat het strand continue in beweging is door invloed van de zee (zo kan het voorkomen dat in een bepaalde periode het strand egaal is, terwijl een storm diepe geulen en zandbanken kan creëren) verschijnen en verdwijnen “goede” zoeklocaties op het strand. Zo is het ene jaar op een bepaald stuk strand veel te vinden, terwijl het andere jaar er vrijwel niks ligt. In de jaren 2000-2003 liep er een diepe geul links van het Strandhotel over het strand. In die periode waren in aanspoelsel bij deze geul veel fossiele (en een 1 recente) tolhorens te vinden. Na het verdwijnen van deze geul heeft het bijna 8 jaar geduurd voor er op deze locatie weer een tolhoren te vinden was. De vorm van het strand lijkt ook van invloed te zijn op het voorkomen van goed “horentjesgruis” na oostenwind. Bovendien is het opvallend dat op een plaats waar het strand iets breder is (de uitstekende punt bij paal 48), er regelmatig grotere schelpensoorten/exemplaren te vinden zijn.

In de buurt van het Strandhotel is daarentegen vaak/vaker fossiel materiaal te vinden (bijv. 2x Gastrana fragilis, gevonden op vrijwel dezelfde plek in de vloedlijn in de jaren 2006-2007). De Vliehors is door de speciale status van militair oefenterrein alleen in het weekend te bezoeken, en door de afgelegen locatie ten opzichte van het dorp lastig te bereiken. Als zodanig is niet aan te geven of bepaalde schelpensoorten daar vaker voorkomen dan op de rest van het eiland.

Door de zandsuppletie(s) die is/zijn uitgevoerd kunnen bovendien zo nu en dan schelpen aanspoelen die normaal gesproken veel zeldzamer zijn. Voorbeelden hiervan zijn Dosina exoleta, Laevicardium crassum en Striarca lactea. Exemplaren die uit de suppletie komen hebben vaak karakteristieke beschadigingen aan de rand van de schelp (hoekjes eruit). Verse schelpen van deze soorten dienen altijd kritisch te worden bekeken. Met name Striarca lactea was veel algemener geworden in het strandmateriaal na de suppleties (het juiste type aanspoelsel bevatte soms flinke aantallen). Zelfs nu, jaren na de suppleties, zijn nog regelmatig exemplaren in het strandmateriaal terug te vinden die hoogst waarschijnlijk uit die bron komen. Dosinia exoleta komt ook af en toe nog voor in normaal strandmateriaal. Het betreft hier schelpen die met suppletiezand zijn meegekomen en door het getij weer naar zee zijn gespoeld, om vervolgens weer in het strandmateriaal terecht te komen. Zulke schelpen doen wat ouder aan (kleurtekeningen zijn verdwenen), maar zijn onmiskenbaar uit (recente) suppleties afkomstig. De soort spoelt recent vrijwel nooit “normaal” aan, echte strandvondsten bestaan voornamelijk uit fossiele fragmenten.


Zwaardschedes en mesheften.


Het standmateriaal van zwaardschedes en mesheften op Vlieland is voornamelijk een monocultuur is van de Amerikaanse zwaardschede Ensis directus. Deze soort domineert het zwaardschede-aanspoelsel in grote mate en is zowel in schelpenbanken als in de vloedlijn te vinden. Zoals in de literatuur vaak wordt aangegeven worden de andere soorten in meer of mindere mate verdrongen. Verse schelpen van bijvoorbeeld de Grote zwaardschede Ensis arcuatus zijn nog slechts incidenteel in de vloedlijn en schelpenbanken te vinden. Deze schelpen zijn vaak beschadigd maar nog wel in het bezit van hun karakteristieke donkerbruine periostracum, waardoor ze tussen de Amerikaanse zwaardschedes wel opvallen. Het Klein tafelmesheft Ensis minor daarentegen wordt zeldzamer. Oudere, min of meer verkleurde kleppen zijn nog wel zo nu en dan te vinden,  verse kleppen en doubletten zijn veel zeldzamer.

De soort die ironisch genoeg het beste de komst van de Amerikaanse zwaardschede heeft opgepakt is het Groot tafelmesheft Ensis siliqua. Deze soort wordt vaak omschreven als zeldzaam op Vlieland, echter ondanks dat de soort niet algemeen is, komt hij toch vaker voor dan wordt aangenomen. (Fossiele) fragmenten van deze soort komen regelmatig voor in schelpenbanken, en verse kleppen en doubletten zijn zo nu en dan terug te vinden in de vloedlijn en schelpenbanken, vaak in combinatie met de Amerikaanse zwaardschede. Het probleem is dat de aanspoelende kleppen en doubletten vaak dezelfde lengte hebben als Ensis directus (grotere exemplaren zijn erg zeldzaam, onder meer een klep van 18cm uit 1995), en het periostracum heeft vrijwel dezelfde kleur. Als zodanig is de soort vaak alleen te identificeren door alle aangespoelde schelpen goed te bekijken, hetgeen flink tijdrovend kan zijn.

Voor een volledige determinatie-overzicht klik hier.


Koffieboontjes


Op Vlieland zijn zo nu en dan exemplaren te vinden van het Ongevlekt koffieboontje Trivia arctica. Deze voor de Nederlandse kust zeldzame soort wordt voornamelijk als fossiel gevonden. Echter op Vlieland heb ik in de loop der jaren (1994-nu) reeds verschillende verse exemplaren aangetroffen (zie overzicht). Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat er voor de kust van Vlieland (op de golfbrekers?) een (kleine) populatie van deze soort voorkomt (/voorkwam?) De soort lijkt in elk geval wel vaker aan te spoelen dan algemeen gedacht. Op de Waddeneilanden heeft de soort qua kleur en vorm een grote gelijkenis met een op de eilanden veel voorkomende kleurvariant van de ruwe alikruik (witroze). Het nauwkeurig bekijken van aangespoelde (ruwe) alikruiken kan zo nu en dan leuke vondsten opleveren. 

Door het lage gewicht en de ronde vorm van de schelpen zijn zowel fossiele als recente exemplaren voornamelijk aan de onderkant van schelpenbanken met veel veenbrokken en andere kleinere horentjes te vinden (aanspoelsel na oostenwind).

Mogelijk zal blijken dat de soort vaker op de Nederlandse kust te vinden zal zijn. Bij Domburg zijn, behalve grotere aantallen fossiele exemplaren (de soort is hier fossiel duidelijk het minst zeldzaam) ook verse exemplaren te vinden (1x licht versleten vers exemplaar van 12,2mm). Van Domburg is ook een vers versleten exemplaar van het Gevlekt Koffieboontje Trivia monacha bekend (2009, zie kopje Domburg voor nadere gegevens).


Penhorens


De Penhoren spoelt vrij regelmatig aan, voornamelijk in horentjesgruis na oostenwind (zo nu en dan is de soort ook te vinden in de vloedlijn, als het opkomend tij materiaal uit een gruisbank na oostenwind daar achterlaat). In de meeste gevallen betreft het een of enkele exemplaren (soms grotere aantallen), vaak beschadigd, verkleurd en fossiel. Zo nu en dan spoelen ook recente exemplaren aan, echter gave verse schelpen zijn vrij zeldzaam.

De Bruyne en De Boer geven aan in " Schelpen van de Friese Waddeneilanden" dat de soort algemener lijkt aan te spoelen op Terschelling en Ameland dan Vlieland en Schiermonnikoog. Over het geheel gesproken zal dit wel het geval zijn. Echter, de soort kan op Vlieland zo nu en dan ook in grotere aantallen worden aangetroffen. Zo waren op 28-12-2010, 29-12-2010 en 30-12-2010 109 exemplaren in materiaal na oostenwind te vinden. De soort kan, tezamen met de Wenteltrap Epitonium clathrus goed dienen als gidssoort. Indien van beide soorten grotere aantallen in gruis te vinden zijn, neemt de kans ook toe dat zeldzamere soorten als Turton's wenteltrap Epitonium turtonis te vinden zijn.

© 2018 P.M.J. Sjerp - all RIGHTS RESERVED.